Er bestaat een dunne ruimte tussen twee ademhalingen, een land zonder klok waarin alles even openvalt en niets hoeft. In die ruimte lijkt het leven zich te herinneren dat het niet alleen bestaat uit aankomen of vertrekken, maar uit het kieren van de tussendeur, het zachte scharniergeluid van tijd die niet gehaast wil worden.
Overgangen als thuiskomst
We denken vaak dat de waarde van onze dagen schuilt in de momenten met uitroeptekens. Toch merk ik steeds vaker dat de komma’s het verhaal dragen. De korte stiltes, de wisseling tussen regen en zon, het loslaten van een gedachte zonder meteen een nieuwe te grijpen. Overgangen zijn geen niemandsland; ze zijn een thuiskomst waar je jezelf even vindt, ongedwongen, zonder het decor van doel en bewijs.
Rituelen die ruimte maken
In de ochtenden leg ik een klein tapijt van gewoonten uit: water opzetten, het trillen van de ketel, stoom die langs een ruit omhoogschrijft. Ik tik de aarde rond een kamerplant aan, vouw een trui recht, strik veters zoals je een belofte voorzichtig vastmaakt. Deze handelingen zijn geen brug naar een later; ze zijn het later. Door ze traag te doen, maak ik plaats voor verfijning — de nuance die haast altijd over het hoofd ziet.
Luisteren naar wat niet klinkt
Als ik stilsta, hoor ik het zachte zwellen van de stad, een ritme zonder dirigent. Het raam ademt, de vloer kraakt, ergens valt een lepel terug in een lade. Tussen die kleine geluiden door is er een die geen naam draagt: de golfslag van aanwezigheid. Je hoeft hem niet te vangen; je hoeft alleen maar niet weg te zwemmen.
Het trage kompas
Wachten is niet passief; het is het afstemmen van richting. Zoals een naald zich schikt naar het noorden, zo leert geduld me wenden naar wat klopt, en niet alleen naar wat lonkt. In de traagheid wordt onderscheid zichtbaar: wat draagt, wat drijft, wat enkel flikkert. Het is vreemd troostrijk te ontdekken dat keuzes vaak vanzelf ontstaan wanneer je ophoudt ze op te jagen.
Misschien is dat de les van de tussenruimte: dat we niet minder leven wanneer we vertragen, maar dieper. Dat een dag die zich niet haast, toch aankomt — bij ons, bij elkaar. En dat de wereld, wanneer we haar niet aanduwen, zichzelf op eigen benen zet en nog altijd vooruitgaat. Soms is het genoeg om de deur op een kier te laten en te luisteren hoe de tijd zachtjes binnenstapt.


















