Soms word ik wakker in een huis dat nog niet aan zichzelf heeft gedacht. Er is een pauze tussen nacht en dag waarin ramen traag hun contouren terugvinden, en het stof in de lucht doet alsof het sterren zijn die te laat naar huis gaan. In die schemering zoek ik naar de woorden die me aan een trager ritme herinneren, alsof ik een brief openvouw die ik ooit aan mezelf schreef en nooit durfde te posten.
Over de traagheid die we vergeten
We hebben onze dagen opgedeeld in vlakken en taken, tot er nauwelijks ruimte overbleef voor het zachte wachten. Traagheid is geen stilstand; het is een andere manier van bewegen, een dans van aandacht die niet meer wil winnen van de klok. Wanneer ik mijn koffie hoor druppen, ontdek ik dat het niet het einde is van een handeling, maar het begin van luisteren. Ergens tussen de druppels door voel ik hoe tijd niet verdwijnt, maar oplost als suiker in een nog te warme kop.
Ritme van ramen en adem
Het raam is een les in geduld. Licht klimt niet; het schuift, en de kamer antwoordt met schaduwen die zich telkens herschrijven. Ik probeer net zo te bewegen: een ademteug langer blijven, een vraag niet meteen beantwoorden. Er is een ritme tussen buiten en binnen dat pas hoorbaar wordt wanneer je het laat zwijgen in jezelf. Dan merk je dat de adem niet alleen lucht verplaatst, maar ook gewicht: van gedachten, van verwachtingen, van alle kleine haast die zich aan de dag vastklampt.
Kleine rituelen als anker
Ik vouw de dekens op alsof ik een kaart teken van een wereld die ik wil bewonen: ordelijk, warm, beweeglijk. Het mes snijdt het brood niet, het stelt grenzen die veilig voelen. Een pen die krast over papier is een draad terug naar het heden. Deze rituelen zijn geen routines; ze zijn stille bruggen, planken over water waar onderstromen zingen. Ze maken van tijd iets bewoonbaars, een huis met zachte hoeken waar je knie niet telkens opnieuw stoot.
De tijd die luistert
Misschien is tijd niet de strakke dirigent die we vrezen, maar een aandachtige gast die blijft staan wanneer jij gaat zitten. In die stilte leer ik niet om meer te doen, maar om minder te verbergen. Elke vertraagde seconde onthult een laag van de dag die anders ongezien zou sterven, zoals regen die pas zichtbaar wordt wanneer hij tegen glas tikt.
En zo zet ik mijn kop neer, kijk hoe de rand van het licht het tafelblad kust, en begrijp: niet alles wat waarde heeft accelereert. Soms is het voldoende om aanwezig te zijn bij wat arriveert zonder tromgeroffel. De wereld is niet groter in snelheid, alleen vager. Wanneer ik trager kijk, krijgt alles weer zijn naam terug, en vind ik die van mij tussen de marges.


















