Advertisement

De stilte tussen notificaties

Ik open de dag zoals je een oud boek openvouwt: voorzichtig, met respect voor het gekreukte papier van de tijd. Het is nog vroeg, de lucht hangt als een zachte belofte voor het raam. Op tafel staat een kop koffie die ademt, een kleine wolk boven donker water. Mijn telefoon ligt omgekeerd, de wereld daarin tijdelijk dichtgevouwen. Er is ruimte genoeg om mijn gedachten te horen druppelen.

De stilte tussen notificaties

In die pauze, waar geen geluid dwingt, toont de dag zijn fijnste weefsel. Niet het grote, niet het nieuwswaardige, maar de kleine rafels: het geritsel van een blad, een vogel die een aarzelende noot zoekt, een trage straal licht die over de rand van het tafelblad kruipt. Ik merk hoe mijn aandacht niet langer jaagt, maar luistert. Stilte wordt geen leegte, maar een kamer waarin alles eindelijk past.

De wereld, zo vol versnelling, heeft mij geleerd te rennen. Maar wat is rennen zonder bestemming anders dan uitstel van aankomst? Hier, in het luwe water tussen twee verplichtingen, drijft iets dat ik herken: mijn eigen ritme, vergeten maar niet verloren.

Het gewicht van wachten

Wachten werd lang gezien als verspilling, een te krappe jas in een drukke dag. Toch is wachten een vorm van aandacht: je stemt af op het langzame, je laat betekenis bezinken. De secondewijzer tikt, maar niet als zweep, eerder als metronoom. Ik voel hoe woorden rustiger komen, hoe gedachten minder schichtig zijn. Waar haast verdunt, verdikt de wereld, krijgt zij contour en diepte.

Kleine rituelen

Een glas water drinken voordat ik begin. De krant niet scrollen maar vouwen. Een venster openen, zodat het huis en mijn hoofd frisse lucht delen. Het potlood scherpen, luisteren naar dat lichte schrapende geluid — als regen op een dak van papier. Rituelen zijn geen regels, maar sleutels. Ze sluiten de chaos buiten, laten de aandacht binnen. In deze cadans wordt werken schrijven, wordt schrijven ademen.

Tijd als adem

Misschien is tijd niet om te bezitten, maar om te bewonen. Zoals je een kamer binnengaat en je jas uittrekt. Zoals je in de winter de warmte langzaam in je handen wrijft. Ik leer het me zelf aan: minder vangen, meer ontvangen. Minder zeggen, meer horen. Er is geen trofee aan het eind van de dag, alleen een spoor dat zacht oplicht in het geheugen.

Zo leg ik de telefoon nog even omgekeerd, neem een slok die damp en bitterte mengt, en kies opnieuw. Niet voor het snelle antwoord, maar voor het trage kijken. In wat ik niet opjaag, komt mij iets tegemoet: een dag die niet voorbijstormt, maar blijft. En als ik weer opsta, is het niet om te vluchten, maar om met de pas van een mens te gaan.