Advertisement

De stilte die tussen de seconden past

Er is een moment in de ochtend waarop de wereld nog niet kiest, waarop het licht voorzichtig naar binnen sluipt als een gedachte die nog niet hardop durft. Ik sta vaak bij het raam, met mijn handen om een warme mok, en luister naar het zachte knarsen van de straat die ontwaakt. In die dunne laag tussen nacht en dag lijkt alles tijdelijk, alsof de tijd zelf een adem inhoudt.

Het ritme van kleine ochtenden

We leven in tempo’s die we zelden zelf bepaald hebben. Toch leert de ochtend me, met de geduldige taal van glanzend condens en trage stoom, dat ritme niets anders is dan bewuste aandacht. Ik zie een omgevallen fiets als een komma in een zin, een kind dat lacht als een onverwacht uitroepteken. De stad, nog niet helemaal samengesteld, oefent zinnen die later een dag zullen worden.

Ik herken mezelf in de halflege stoep, in het trillende bladje dat blijft hangen aan de rand van een tak, te zwaar van nachtelijk vocht en toch eigenwijs. Misschien is het leven precies dit: iets dragen dat groter is dan je naam, en niettemin licht blijven in de richting die je niet kunt uitspreken.

Tussenruimte

Tussen de berichten die we verzenden en de stilte erna, ligt een veld dat we vergeten te betreden. Het is de ruimte waarin een vraag nog geen antwoord nodig heeft, en een antwoord niet direct hoeft te overtuigen. Ik proef de rust ervan wanneer de eerste tram piept langs de kade, wanneer het water onder de brug alle reflecties verzamelt en niets verliest.

In die tussenruimte leer ik luisteren naar wat niet gezegd wordt: naar de schaduw van een wolk die kort over de gevels glijdt, naar de schuchtere viooltjes op de vensterbank die vandaag weer kiezen om te bloeien. Alles is aan, maar niets dringt zich op.

Rituelen van licht

Het licht schrijft elke dag een nieuw alfabet op de tafelrand. Kruimels worden sterren, de rand van een krant een horizon, de rimpel in het glas een stille geul waar tijd doorheen stroomt. Ik zet de mok neer, en in de cirkel die achterblijft lees ik een voorspelling van warmte, niet groter dan mijn hand, maar voldoende voor een dag.

Wat ik probeer te leren is niet hoe ik sneller kan leven, maar hoe ik langzamer kan kijken. Hoe ik mijn eigen adem kan volgen tot aan de rand van mijn borst, en terug, als de beweging van een getij dat geen haast kent. Misschien is dat de verborgen rijkdom: te weten dat de uren niet voorbijrazen maar voortdurend naar ons toe komen, en dat er in elke seconde precies genoeg ruimte is om te landen, zacht, als een vogel die de wind vertrouwt.