Advertisement

Langzaam door de nevel: een ode aan het traag kijken

Vroeg in de ochtend, wanneer de stad nog spreekt in ademwolken en fluisterende remmen, trek ik de jas hoger op en laat ik de pas zakken. De mist ligt als een dun laken over de gevels; alles is zachter, even niet verplicht om scherp te zijn. Op de kasseien ligt een glans die lijkt te luisteren. Een caféraam beslaat, iemand veegt met de rug van de hand een rond kijkgat vrij. Ik loop langzamer dan de klok, tel mijn adem, en merk dat tijd een ruimte wordt waarin ik eindelijk pas.

De kunst van langzaam kijken

Als ik vertraag, vallen details uit de lucht als zaden. De verf bladdert als kleine continenten van een groene deur. Iemand strikt een veter in de luwte van een stoep, met dat geconcentreerde gebaar dat tegelijk kwetsbaar en volledig is. Duiven tekenen routes in de koude lucht, cartografen van een onzichtbare wind. In een regenplas drijven twee bladeren als tweelingkompassen, gericht op ieder nieuw moment. Langzaam kijken is geen luxe; het is een manier om de wereld te laten antwoorden, om haar haperingen te horen en dat vertraagde, trage ja van de ochtend te ontvangen.

Ritme van adem en straat

Mijn stappen zoeken de rustslag van het verkeer: één, twee, stil bij rood; door bij groen als een zachte instemming. Onder de zolen trilt een tram, een lage toon die het lijf herkent als een oud lied. Adem in, adem uit; ergens valt een sleutel op hout, ergens lacht iemand te vroeg. Het ritme van de straat leert me dat aandacht niet harder hoeft te werken dan het hart klopt. Wanneer ik mijn tempo laat zakken, verschuift de kaart van wat belangrijk is. Wat ik zie, kiest mij terug, en in dat wederzijds kijken wordt de dag eenvoudiger van vorm.

Sporen die blijven

Op de rand van een stoeptegel een krijtwoord, half verregend, nog net leesbaar als een belofte die niet om antwoord vraagt. Vingerafdrukken op een portiekglas glanzen alsof hier pas is gegroet. Een losgeraakt knoopje naast de stoeprand, klein bewijs van een haastige beweging. Ik denk aan brieven die ik nooit verstuurde en toch in mij draag, aan stemmen die als stof in lichtbundels blijven zweven. We laten meer achter dan we weten: ritmes, geuren, stiltes. De stad bewaart ze, niet als archiefkast maar als huid die elke dag opnieuw voelt.

Misschien is dat het hele werk: een zakje traagheid meenemen, zelfs wanneer de sirenes oefenen en de agenda’s dreigen. Even stilstaan bij een rimpel in het water en merken hoe de hemel daarin oefent om dichtbij te zijn. Het kost niets om te wachten tot een gedachte uitspreekt wat ze bedoelt. En als ik weer verder loop, merk ik dat de dag mij lichter draagt; niet omdat er minder te doen is, maar omdat ik blijf luisteren naar het tempo waarin betekenis zich durft te tonen.