Advertisement

Tussen adem en algoritme

Er is een uur in de dag dat nog op niemand lijkt. Het hangt als een zachte nevel boven de vensterbank, waar het eerste licht zich langs het glas vleit en de kamer voorzichtig wakker ademt. In dat uur luister ik niet naar nieuws, meldingen of de rinkelende markt van meningen. Ik luister naar het tikken van de verwarming, naar het aarzelende ritme van mijn eigen gedachten, alsof ze hun schoenen nog strikken voor een lange wandeling.

Over de drempel van de ochtend

Ik zet mijn telefoon met het scherm naar beneden, als een afgesproken stilte. De damp van koffie krult langs mijn wangen en tekent een smalle route naar binnen. Buiten krast een kraai een zin in de lucht die ik niet begrijp, maar die me wel iets leert over aanwezigheid. Alles beweegt, maar niet alles vraagt om antwoord. Sommige dingen willen slechts gezien worden, zoals stofdeeltjes die in het schuine licht dansen zonder een bestemming te kennen.

Ik schrijf een korte regel in een notitieboek: vandaag mag ruim zijn. Geen gebod, eerder een gebaar. Want ruimte is niet het afsnijden van verplichtingen, maar het toelaten van adem tussen handeling en gevolg. Het is het verschil tussen reageren en terugkeren, tussen de snelle klik en de langzame blik.

De tactiele tijd

We noemen het scherm vaak een venster, maar vergeten dat de lucht erachter koud en beweeglijk is. Met mijn hand over het papier hoor ik hoe de pen een geluid maakt dat geen bericht kan zijn. Er valt niets te verzenden, alleen te merken. De rand van het kopje, het gewicht van keramiek, de lichte weerstand van linnen tegen mijn pols: het zijn kleine ankers die me tot traagheid verleiden, alsof tijd niet schaarser maar tastbaarder wordt wanneer ik haar aanraak.

In die traagheid voel ik hoe het brein ontdooit. Gedachten zakken, vinden grond, vormen wortels. Niet alles hoeft vandaag te bloeien; sommige zaden willen donkerte en stilte om later te breken.

Wat blijft wanneer het stil valt

Misschien is aandacht geen toestand maar een gesprek. Ik zeg: ik ben er. De wereld zegt: ik ook, maar niet allemaal tegelijk. In dat wederkerige knikje ligt een vrede die geen belofte doet en toch geruststelt. De dag mag komen zoals het licht komt: niet plots, maar in schakeringen die de contouren niet verdoezelen, alleen verzachten.

Dus zet ik mijn eerste stap niet vooruit, maar naar binnen. Ik laat de berichten op me wachten en kies even voor het ademhalen dat niets wil. Daar, in het smalle tussenstuk van voornemen en gevolg, wordt betekenis niet gezocht maar gevonden, zoals een sleutel die altijd al in de jaszak zat. De ruis zal later wel weer zingen; voor nu luister ik naar de stilte, omdat zij de enige is die alles heeft gehoord.