In de ochtendschemer, wanneer de muren nog ademen en het huis zijn eigen hartslag fluistert, leg ik mijn telefoon omgekeerd op tafel. De klok tikt, maar niet met haast; het is eerder het stappen tellen van een dag die zich nog uitrekt. Mijn adem zoekt het ritme van een langzamere golfslag. Er is koffie, er is het kleine krassen van een potlood, er is ruimte die niets wil behalve aanwezig zijn.
De stilte tussen notificaties
Ergens tussen het geluidloos oplichten van schermen en het verlangen naar nieuws leeft een stilte die wij vaak overslaan. Het is de ademhaling van een dag die nog niet is toegeëigend door agenda’s en alarms. In die spleet van het moment, precies waar verwachtingen oplossen, valt het licht anders. Je merkt de kleur van het tafelblad, het breekpunt in het glazuur van je mok, de zachte plooi in je schouder die langzaam loslaat.
Het ritme van aandacht
We leren onze aandacht vaak als een sprint te gebruiken: snel schakelen, sneller leveren. Maar aandacht is eigenlijk getij. Ze komt op en trekt zich terug, maakt glinsterende randen van gewoonte en spoelt over wat werkelijk ertoe doet. Als ik wacht tot de golf zichzelf aankondigt, verschijnen woorden die niet uit haast geboren zijn maar uit nabijheid. Het is geen productiviteit, het is trouw zijn aan de diepte van wat er is.
Het kleine als kompas
De hand die de mok optilt. De bijna onhoorbare veer van de stoel. Een stofdeeltje dat door een zonnestraal reist alsof het een verhaal te vertellen heeft. Het kleine is een kompas dat altijd naar hier wijst. In die nederigheid schuilt richting: een zin wordt helderder, een keuze eenvoudiger. Alsof de wereld zegt, zacht maar beslist, dat genoeg zijn begint waar we durven te vertragen.
Een zachte rebellie
Misschien is het een vorm van verzet om het scherm even niet te beantwoorden, om het icoontje ongelezen te laten als een vogel die nog niet op de vensterbank durft. In die weigering groeit ruimte, en in ruimte groeit helderheid. Wat overblijft wanneer het ruisen verstomt, is een stille kam waar je gedachten weer kunnen zitten, zonder te presteren, alleen maar om opnieuw te worden gehoord.
Ik neem die kamer mee de dag in: als een zak vol lucht, als een veld waar geen haast kan wortelen. Niet als afwijzing van de wereld, maar als uitnodiging aan haar om dichterbij te komen. Wanneer ik luister met de zachtheid van ochtendlicht, blijken de uren minder scherp, de keuzes minder bang. En ergens, net buiten het bereik van elke melding, tikt een hart in mijn hand dat ik niet langer uitbesteed.


















