Er zijn dagen waarop de wereld lijkt te ademen in halve maten, alsof elke seconde een ruimte tussen twee noten is. Ik luister dan naar wat niet gezegd wordt: het zachte terugtrekken van geluid, het uitwaaien van gedachten die hun eigen contour pas vinden als de druk wegebt. In die dunne laag van stilte, daar waar de tijd zich even ophoudt en rondkijkt, valt iets te ontdekken dat geen naam behoeft.
Tussenruimtes
We denken vaak dat beweging de bedoeling is, dat vooruitgang alleen vooruit kan. Maar in de tussenruimtes, waar niets verplicht en alles mogelijk is, valt een andere waarheid te horen. De stilte is niet leeg; ze is een kamer met ramen naar alle windstreken. Als ik durf te blijven staan, merk ik hoe de aandacht zich vouwt als licht om een hoek: plots zichtbaar, zacht, precies.
De maat van adem
Ademen is een discreet metronoom. In de pauze tussen in en uit schuilt de toestemming om even niet te hoeven. De schouders dalen, het lijf herinnert zich de grond. Het is daar dat het hart zijn ritme herstemt, zonder publiek, zonder applaus, slechts de zekere wetenschap: ik ben hier.
De stad na regen
Wanneer de regen wijkt, blijft de stad achter met een nieuw alfabet. Klinkers van glinsterende straatstenen, medeklinkers van takjes, bladeren, vergeten stappen. In de plassen liggen stukjes hemel die niemand claimt. Ik loop langzamer, lees de reflecties als voetnoten bij het verhaal van vandaag, en merk hoe het tempo zichzelf corrigeert.
Spiegelingen
Alles spiegelt in water dat net tot rust komt: gevels, wolken, een toevallige blik. De wereld toont haar achterkant, even helder als de voorkant. Misschien is dat wat we missen als we haasten: het tweede beeld dat het eerste nuanceert.
Het ritme van druppels
Een dakrand, een aarzelende drup, een rimpel die uitwaaiert. Het is een les in proportie: kleine dingen dragen grote stiltes, en omgekeerd. De oren leren zien, de ogen leren luisteren.
Tijd als zachte rand
Niet alle randen hoeven scherp. Soms is het genoeg dat de dag zich rond ons vouwt, als een sjaal die net warm genoeg is. De klok tikt, maar de betekenis schuilt in het interval. Daar groeit keuze, aandacht, mildheid.
En zo loop ik verder, niet sneller, wel helderder. Tussen twee regenbuien door vind ik het midden van mijn pas terug. Het is geen doel en geen bestemming, slechts een afspraak met het hier en nu. Als de lucht weer openbreekt, laat ik de stilte me nog even dragen, alsof ze fluistert: je hoeft niets meer te bewijzen om te bestaan.


















