De ochtend komt niet binnen als een bevel, maar als een fluistering. Het licht schuift over de tafel alsof het iets is dat eerst wil leren liggen, de stoom van de koffie tekent uitroeptekens die niemand hoeft te lezen. In de ruis van de stad is er een spleet van stilte, een nerf in het hout, een adem tussen twee gedachten. Ik luister en merk hoe het tempo van de wereld en het ritme van mijn lichaam elkaar niet altijd kennen.
De kunst van traag gaan
Traagheid is geen verzet tegen de tijd, maar een herontdekking van maat. Het is het opmerken van een vogel die niet wegvliegt, de schaduw die een stoel groter doet lijken dan hij is, het rimpelen van melk in een kop. In die kleine verschuivingen ontstaat een soort binnenruimte waarin de dag zich uitvouwt zonder te scheuren.
We noemen het onthaasten, maar eigenlijk is het onthullen: laag voor laag pel je de haast af tot het zachte, kalme weefsel van aandacht zichtbaar wordt. Wat overblijft is niet leegte, maar diepte.
Luisteren naar het tussenin
Er zijn klanken die je alleen hoort als je niets probeert te vangen: het zachte tikken van een radiator, het verre lachen van iemand die je nooit zult kennen, je eigen hart dat ergens in je borst een gedempt akkoord aanslaat. Tussen doel en resultaat hangt een draad van stilte waaraan alles zich hecht. Wanneer ik die draad aanraak, trilt mijn dag anders: minder hoekig, ronder van toon.
Ik merk hoe gedachten zich gedragen als zwaluwen; als ik ze achterna ren, verdwijnen ze in de lucht. Als ik stil blijf staan, buigen ze plots in een boog naar me terug.
Rituelen als anker
Een beker vasthouden met twee handen. Het raam op een kier zetten, ook als het fris is. Een zin hardop lezen tot hij warmte krijgt. Rituelen zijn kleine bruggen naar het vaste land van aandacht. Ze zijn niet groot, maar ze dragen verrassend veel gewicht.
Misschien is dit de keuze van vandaag: niet sneller, niet meer, maar zachter. Het zachte is geen zwakte; het is een vorm van moed die niet schreeuwt. Als ik mijn pas vertraag, hoor ik hoe de dag mij terug begroet. In dat wederkerige gebaar, ergens tussen stoom en schaduw, wordt leven geen race maar een ontmoeting die telkens opnieuw begint.


















