Vanochtend las ik een klein nieuwsbericht, nauwelijks groter dan een ademteug. Een paar regels, een foto zonder gezicht, een datum die oploste in het licht van de keuken. Tussen de punten en komma’s klonk een zachte resonantie, alsof de wereld even naar binnen vouwde om plaats te maken voor aandacht. Mijn ogen werden trager; de stilte was niet leeg maar vol: kruimels betekenis, kruispunten van toeval en zorg, een stil netwerk waar we dagelijks overheen lopen zonder het te merken.
Het bericht had niets spectaculairs. Een tram die later reed, een buurt die samen bladeren bij elkaar harkte om een verstopt putje weer te laten ademhalen. Wat ik las, was bijna niets; wat ik voelde, bijna alles. Want in dat bijna schuilt het glimmen van het alledaagse, het kleine licht dat je pas ziet als je de radio van je hoofd zachter draait. De stad fluisterde en ik vergat even om te antwoorden.
Tussen regels en ruis
Er is ruis die we verwarren met belangrijkheid, en regels die niets anders vragen dan dat je ze langzaam leest. Daar, in de marge, tilt het leven zijn schouders en knikt. Een vertraagde route wordt een uitnodiging om te kijken; een etalageruit een rivier van beweging; een tikkende fiets een metgezel van geduld. Feiten nemen soms de vorm van tederheid aan, niet door hun grootheid maar door hun nabijheid. Het kleine nieuws is een hand die niet grijpt maar draagt.
De alfabetten van het alledaagse
We lezen op automatische piloot, alsof de dag een tekst is die we al kennen. Toch liggen er tussen de letters alfabetten verscholen: aandacht, beleefdheid, herstel. Iemand die een naam noemt en daarmee een mens teruggeeft aan zichzelf. Iemand die een kapotte tegel recht legt en de weg een fractie lichter maakt. Het is geen romantiek, het is arbeid met een zachte rand. Misschien is dat wat nieuws ook kan zijn: een inventaris van kleine reparaties aan een wereld die scheurt en weer gehecht wordt.
Wat blijft
Wat blijft, is niet de beklemming van koppen die schreeuwen, maar de naslag van iets dat ademt. Ik zette de waterkoker uit, keek door het raam en zag hoe het licht op de vensterbank sneed als water, geduldig. Ik dacht aan de tram, het putje, de bladeren die in stilte werden opgeraapt. Misschien is groeien niets anders dan langer blijven bij wat klein is. De dag begon. Ik stapte erin als in een zachte jas, met zakken vol bijna, en dat was genoeg.


















