Advertisement

Tussen adem en aandacht

Er is een plek waar de dag vertraagt, niet op de klok, maar ergens tussen sleutel en deur, adem en gedachte. Ik vind haar soms in het wiegen van een gordijn, in het schuwe licht dat de vensterbank likt, in de stilte tussen twee meldingen die niet meer dringend lijken. Het is de smalle strook waar waarnemen weer intact voelt, waar woorden de neiging verliezen om harder te praten dan de huid kan luisteren. Daar begint de binnenkant van de wereld.

De tijd tussen twee ademhalingen

Ik leer het ritme van pauze zoals je een onbekende straat oversteekt: traag, oplettend, bereid om te wachten. In die korte vertraging valt het stof in de kamer anders neer, tekent de stoom van de ketel een brief aan de lucht, verschuift de toon van mijn gedachten naar iets minder haastig. Wat ik daar hoor is niet groot of luid; het is het geritsel van een bladwijzer, het zachte klikje van inzicht dat nergens voor hoeft te worden beloond.

Elke pas die ik terugneem maakt ruimte. Niet om meer te vullen, maar om beter te dragen wat er al is. Ik merk dat de zwaarte van de dag lichter wordt als ik haar niet optil, maar haar laat zitten waar ze wil, als een kat in een zonvlek.

De stille inventaris

Wat leeft, telt: de geur van versgesneden appels, de traagheid van een wolk, het gezicht dat ik vang in de weerspiegeling van een ruit en bijna misken. Ik noem het de stille inventaris, een opsomming zonder getallen. Ik kijk, ik noteer, ik leg niets vast dat niet al zachtjes lag te wachten. Hier verliezen doelen hun helm, hier heeft het tacken van taken niets op de koffer van aandacht. Het is genoeg om aanwezig te zijn bij wat zich aandient.

Spier van aandacht

Aandacht is een spier die groeit door zacht te oefenen. Ik til niets zwaars, ik herhaal eenvoudig: hier, nu, heel. Wanneer de wereld trekt aan mouw en melding, adem ik de plooien glad. De geluiden worden achtergrond, het hart neemt de maat, en ik herinner me dat ik niet door de dag hoef te rennen als de dag ook via mij mag wandelen.

Misschien is dit de enige vorm van overvloed die niet uitput: minder hoeven, ruimer ademen, dieper kijken. Niets toevoegen, enkel terugkeren naar wat niet weg is geweest. De hand op het notitieboek voelt warm, de zinnen ademen mee, buiten gaat een fiets voorbij als een zacht streepje potlood.

Wanneer ik weer opsta, beweeg ik niet sneller, alleen helderder. Alsof iemand het raam een vingerbreed verder heeft geopend en de lucht onbevreesd binnenvalt. De wereld verandert niet, maar de manier waarop ik haar aanraak wel; en daarin schuilt een milde revolutie, onopvallend als licht dat het stof benoemt.