Vanochtend gleed een bericht mijn dag binnen als een druppel die vanaf het raam naar beneden zoekt: traag, onvermijdelijk, glashelder en toch ongrijpbaar. Ik las de eerste regels en voelde hoe de woorden een gewicht kregen dat niet bij hun lengte paste. Ergens tussen feit en gevoel, tussen getal en gezicht, spant zich een koord waarover we allemaal leren lopen. De stad ontwaakte buiten, trams streken vonken langs de rails, en ik vroeg me af hoeveel geluiden er nodig zijn om één stilte te begrijpen.
Over de stilte tussen kop en kern
Een kop is een deur die klikt; de kamer erachter ademt anders dan het slot belooft. Ik merkte hoe mijn adem pas vertraagde toen ik voorbij de alinea’s ging die in vet gedrukt staan. Daar, in de zinnen die haperen, in de cijfers die niet schreeuwen, woont de nuance die wij te vaak begroeten als een vreemdeling. Misschien is het lezen van nieuws geen sprint maar een rite: een klein, herhaalbaar ritueel waarin we onze haast afleggen zoals een jas aan de kapstok van de aandacht.
De stad als barometer
Buiten legde de regen een glans op de straatstenen, een dun vel dat de wereld breekbaar deed lijken. Iemand sloeg een paraplu open, even een cirkel van privé-weer onder een gedeelde hemel. In een etalage trilde het licht, koffie stoomde langs glazen, en papier — half nat, half belofte — plakte aan de stoep. Alles leek te wijzen, zonder te wijzen: geluiden als interpunctie, voetstappen als komma’s. Ik vroeg me af hoe vaak we de lucht lezen zonder het weer te begrijpen, hoe vaak we elkaar kruisen als wolken die elkaars schaduw dragen.
Wat we bewaren
Wat blijft er achter wanneer het bericht wegebt? Soms een jaartal, soms een naam, soms alleen de contour van een gevoel dat geen etiket wil. We bewaren juist wat niet luid was: de zucht van een getuige, de trilling in een stem, het zachte tikken van regen naast een telefoon die nog oplicht. In die kleine restjes menselijkheid schuilt een kompas dat niet naar het noorden wijst, maar naar nabijheid.
Ik sluit het venster niet; ik laat het op een kier, zodat de lucht kan wisselen en zin en zucht elkaar blijven vinden. Misschien is dat onze taak in een tijd die holt: aandacht vouwen tot een schuilplaats, woorden laten landen voordat ze worden gedeeld. En dan, met handen die minder haast kennen, kiezen wat we dragen — niet alles, maar juist dat wat stiller spreekt en toch langer blijft.


















