Even na half tien, vrijdag 4 juli, houdt de Oude Molenstraat in Assen haar adem in. De zomeravond is nog stroperig van warmte, ramen staan op een kier, stemmen waaien als losgeraakte draden door de straat. Een plotse rimpeling: stappen die versnellen, woorden die botsen, de lucht die een scherp randje krijgt. Wat zacht was wordt hard, wat klein leek wordt ineens groot. En dan die sirenes, als uitroeptekens in neon, die door de zinnen van de nacht scheuren. Iemand belt, iemand kijkt weg, iemand bidt stilletjes achter vitrage.
Een straat als spiegel
Elke straat bewaart zijn eigen biografie, geschreven in voetstappen, fietssporen en ramen die het licht binnenlaten. Assen is geen anonieme metropool, maar een stad van herkenningen: groeten bij de bakker, de buurkat die de stoep tot koninkrijk heeft verklaard. Toch weet ook zo’n stad van stilte hoe geluid kan barsten. Een vechtpartij is nooit alleen een gebeurtenis; het is een schaduw die vraagt wat wij van elkaar verdragen, hoe dun de grens is tussen nabijheid en frictie.
Tussen messen en woorden
Er zou mogelijk gestoken zijn, fluisteren de berichten; de politie houdt drie verdachten aan. Twee mensen raken gewond, onder wie een van hen. Het staat zo zakelijk in een uniform verslag, maar onder elke mededeling klopt een hartslag. Woede kruipt zelden uit het niets tevoorschijn; ze verzamelt onuitgesproken dagen, misverstanden, koppen koffie die te snel leeg zijn. En dan, in een oogwenk, is er te veel lichaam in de zin, te weinig pauze in het gesprek. Het is de taal die scheurt, en een stad die het moet hechten.
De zachte kant van harde lijnen
Blauw en rood wassen over bakstenen gevels, het afzetlint trekt een nieuwe contour door de avond. Agenten buigen zich over protocol, hulpverleners over lichamen: aandacht als vak, aanraking als werkwoord. In de ramen spiegelen zwaailichten als vallende sterren, maar niemand wenst dit. De straat ademt weer, schokkerig, alsof ze haar ribben telt. En ergens verderop tikt een klokje aan een keukenmuur, gewoon door, alsof het wil zeggen: ook dit zal in tijd veranderen van wond naar korst.
We leren onze kinderen links en rechts te kijken bij het oversteken; misschien moeten we ze ook leren stil te staan bij het scharnierpunt vóór de klap. Wat had er anders gekund? Een ademhaling langer, een woord dat niet geslepen maar geslepen werd. De Oude Molenstraat zal morgen de bezem van de ochtend ruimen door haar eigen midden, de stoep zal gewoontes terugvinden. Toch blijft er een kleine stilte achter, een dunne draad die ons verbindt: dat we elkaars val kunnen opvangen, nog vóór we elkaar moeten optillen.


















