Er was een bericht, zo scherp als ochtendlucht, dat door de stad sneed en zich in onze gesprekken legde als een koude hand op een warme tafel. Het vulde de kamers met lichtflitsen van meningen, de gangpaden met een haastige tred. Ik keek naar mijn eigen schaduw in het raam en vroeg me af hoeveel van wat ik voelde werkelijk het mijne was, en hoeveel afkomstig van het ritselen van koppen, het stromen van tijdlijnen, de zachte koorts van een wereld die nooit echt slaapt.
De echo van het bericht
Wanneer het geluid wegtrekt, blijft de echo achter: niet het feit, maar de vorm die het in ons trekt. In die kromming van gedachten wordt de dag anders, alsof de lucht een graad kouder is geworden en de stoep net natter. We vegen met woorden, maar vinden alleen sporen: een onhandig verdriet, een onstuimige hoop, een verlangen om dichterbij te komen, zelfs nu alles schijnbaar al is gezegd.
Misschien is het daarom dat we blijven lezen, blijven kijken, zelfs als de letters dansen van vermoeidheid. We willen dat onze vingers het reliëf van betekenis voelen. We willen dat het verdriet een adres krijgt, dat de hoop een balkon heeft waar de ochtend kan leunen. Tussen feit en gevoel spant zich een dun koord, en wij balanceren, voorzichtig, met onze ogen op de horizon van het gewone leven.
Tussen cijfers en adem
Er zijn cijfers die tellen en cijfers die vertellen. De eerste zijn koud en helder, als de ramen na een stortbui. De tweede beslaan van binnenuit, omdat er iemand achter het glas ademt. Ik hoor de getallen spreken, maar ik luister naar de adem daarachter: naar kruimels op een aanrecht, naar water dat nog nasiddert in een ketel, naar de traagheid waarmee de stad haar schouders recht.
Wat blijft in de stilte
Wanneer de lichten doven en het scherm kalm wordt, blijft de kamer. De stoelen, de sleutels, de plant die haar bladeren laat vallen als trage komma’s. Wat een bericht doet, is soms niets meer dan het stof zichtbaar maken in de schuine baan van de middagzon. Daarin glinstert het gewone: handen die elkaar vinden, een adem die uit en in, uit en in gaat.
Misschien is dat de trouwste uitkomst van een dag vol nieuws: dat we terugkeren naar de kleine ritmes die ons dragen. Dat we de deur zacht sluiten, het raam openzetten en onze eigen stem horen, nog onwennig, maar waarachtig. En dat we, met een zekere tederheid, het wereldgeweld in een jas vouwen en naast ons hangen, opdat het kan uitwasemen, en wij, even, weer thuis zijn.


















