Advertisement

Blauw licht over de Oostersingel: een nacht die blijft naklinken

De nacht in Assen heeft een manier van luisteren die de dag niet kent. Elk geluid weegt zwaarder, elke ademteug tekent zich scherper af tegen het stille weefsel van de straten. Aan de Oostersingel, waar lantaarnpalen hun gele cirkels als kleine eilanden neerleggen, werd stilte verscheurd door metaal, door schrik, door het onverwachte kantelen van een gewoon moment.

Assen in blauw licht

Na een eenzijdig ongeval, een voertuig tegen een lantaarnpaal, blonken de keien van het asfalt van recent verlies. Het blauw van de zwaailichten legde een trilling over baksteen en water, alsof de stad even in het midden hield hoe te ademen. Agenten arriveerden, routine als anker in een zee van misschien en mogelijk.

Wat daarna gebeurde, is sober van tekst maar zwaar van gewicht. Een 46-jarige man uit Assen bedreigde de agenten met een luchtdrukwapen. De contouren van gevaar zijn ook zonder geluid hoorbaar; ze tekenen randen rond mensen, rond tijd, rond de dunne lijn van wat er had kunnen gebeuren. De man werd aangehouden, en de nacht trok haar mantel iets dichter om de schouders van de stad.

De dunne lijn tussen val en vangnet

We willen denken dat drama altijd ver weg is, ergens anders, in andere levens. Maar het woont in bochten die we honderd keer zonder nadenken nemen, in het breekbare evenwicht van moeheid en besluit, in een moment dat struikelt. En dan is daar het vangnet van uniform en protocol, van stemmen die rustig blijven en armen die weten hoe te handelen zonder te vergeten dat er mensen in de scène staan.

Er is troost in het idee dat een stad zichzelf draagt, dat bewakers van orde het donker kennen zonder het te bezitten. Dat er in de scherpte van dreiging toch een keuze blijft voor terugkeer naar adem, naar licht, naar de volgende stap op de stoep.

Wat de straat bewaart

De lantaarnpaal, licht geknakt, bewaart de herinnering; het wegdek houdt de glans vast van strooilicht en sirene, nog even, tot de regen het uitwist. In een raam blijft iemand iets langer kijken, en in iemands borstkas vertraagt de pols pas wanneer de stilte weer draaglijk is. Zo sluit een stad haar kleine wonden, met pleisters van gewoonte en een ritme dat het incident omarmt zonder het te verheerlijken.

Misschien is dit wat blijft: dat we elkaar blijven tegenkomen op kruispunten van kwetsbaarheid en voorzichtigheid. Dat we in elke trilling van blauw niet alleen spanning zien, maar ook een belofte van zorg. En dat, zelfs wanneer het donker zichzelf ophaalt langs de singel, er altijd genoeg licht overblijft om de volgende pas te vinden.