Advertisement

Wanneer de stad even zijn adem inhoudt

Een krantenkop rolt mijn ochtend binnen als een rimpeling in een stil kanaal: ergens stokte een stad even. Trams stonden in hun railgleuven als vissen tegen de stroom, schermen trilden met berichten die elkaar tegenspraken, automatische deuren aarzelden met de elegantie van iemand die niet meer zeker weet of hij welkom is. Het nieuws beschrijft het als een onderbreking, maar in de smalle spleet van dat woord schuilt iets groters: een herinnering dat gewoonte slechts een kostuum is dat wij elkaar dagelijks aantrekken. En wanneer de rits hapert, kruipt de huid van het echte leven eronderuit.

De dunne draad van gewoonte

Ik denk aan de draden die we niet zien: glas onder straten, signalen die zonder geluid door muren glijden, polsen die gelijktijdig tikken met de klok van de stad. We hangen eraan als aan waslijnen vol dagen. Als zo’n draad knapt, horen we ineens de wind in het gaaswerk van de tijd. Mensen delen een powerbank alsof het brood is, een buurman leent woorden die hij lang niet heeft gebruikt, en op de hoek lacht iemand om niets—of misschien om het feit dat niets eindelijk even genoeg is.

Tijd, uit zijn voegen

Zonder de snelle maat van notificaties wordt tijd een ruimte in plaats van een koord. Zij rekt, golft, scheurt niet. Je ziet je adem in het glas, telt de stappen tussen huis en winkel, merkt dat de wolken langzaam van zin veranderen. De bulletins ververst als een getij, maar jij staat droog op het strand, kijkend naar de streep waar water is geweest, luisterend naar schelpen die niet meer bellen maar fluisteren.

Wat blijft wanneer het licht knippert

We maken de inventaris van wat standhoudt: handen, lucifers, een stem die ruimte vult zonder versterker. Niet romantiseren, niet dramatiseren—slechts kalibreren. We meten onszelf opnieuw met de maat van nabijheid. De stad blijkt geen machine, maar een koor: wie uitvalt, wordt gedragen door de adem van de rest. Reservesystemen heten hier: geduld, beleefd knikken, iemand aankijken alsof tijd geen prijs heeft.

De kaart en het terrein

Het schema in mijn hoofd—lijnen, knooppunten, protocollen—is slechts de kaart. Het terrein zijn gezichten aan een halte, een trambestuurder die de stilte leest als een dienstregeling, vingers die trillen en toch blijven typen. Iemand tekent met kinderhanden draden als wortels, en ik denk: misschien groeit het allemaal naar beneden toe zodat wij boven kunnen staan. En als morgen alles weer zoemt, weet ik dat de pauze niet verdwijnt; zij blijft als een stemvork in mij, die zegt: bescherm de kleine schakelingen tussen ons, de stroom die mens heet.