Advertisement

Een stilte na de klap: Assen ontwaakt aan de Lekstraat

Het is nog donker als de stad zijn adem inhoudt. In de vroege uren waarin alleen de wind door de heggen fluistert, scheurt een klap door de Lekstraat in Assen. Het is zondag 12 januari, rond 05:30 uur; een minuut die zich in baksteen en glas krast. De stilte, die betrouwbare mantel van de nacht, valt uiteen in scherven.

De klap die de nacht brak

Er is een huis, een drempel, een deur die nu anders ademt. De lucht ruikt naar stof en geschrokken verf. Ramen spreken in sterrenpatronen van barst en breuk, de stoep is een schaakbord van glinsterend glas. Nergens is de tijd zo zichtbaar als in de paar tellen na het onverwachte, wanneer elke seconde een vraag wordt.

Iemand dooft het koffiezetapparaat dat net wilde beginnen. Iemand anders zet een pas terug in de gang, luistert naar het trillen van het kozijn, telt onhoorbare echo’s. De straat houdt rekening met alles wat niet is gezegd: een rilling in de klimop, een hond die een halve blaf inslikt, adem die pas later wordt uitgeblazen.

Wat de straat onthult

De Lekstraat is niet anders dan andere straten, en toch draagt zij nu een nieuw verhaal. Een flauwe weerkaatsing van blauw en rood schuift over natte klinkers. De baksteen, gewend aan regen en tijd, draagt een vage roetvlek als een herinnering die niet weet hoe lang zij moet blijven. De brievenbus zegt niets, maar je vermoedt dat ze alles heeft gehoord.

Echo’s in steen en glas

Er is geen sensatie in dit beeld, alleen de kwetsbaarheid van gewoontes die even wankelen. Iemands ochtend is verschoven, iemands vertrouwen is tijdelijk verplaatst naar een plek waar handen elkaar vasthouden. Buren openen deuren zoals men boeken openslaat: voorzichtig, bedachtzaam, op zoek naar begrip tussen de regels van de nacht.

De vraag die blijft hangen

Wat betekent veiligheid als de ochtend op stukjes licht begint? De politie vraagt om oren die iets hebben gehoord, ogen die iets hebben gezien, beelden die het zwijgen kunnen doorbreken. Niet om schuld op te hangen in het openbaar, maar om het verhaal te vervolledigen, om de losse draad terug te vlechten in het weefsel van de straat. Wie iets weet of heeft vastgelegd, draagt een klein kompas bij dat naar helderheid wijst.

En terwijl het daglicht langzaam dieper wordt, veegt iemand het pad, verzamelt de nacht in een stoffer, laat het klateren in een emmer. De stad ademt weer, iets trager misschien, maar met de vastberaden tederheid waarmee mensen elkaar zien. In de ruiten komt een nieuwe ochtend te staan; niet zonder breuklijnen, maar met voldoende glans om te geloven dat samenkomst meer gewicht heeft dan de klap die ons wakker schudde.