Advertisement

Licht en schaduw aan de Oostersingel: een nacht in Assen

De nacht in Assen ruist als een ademhaling, traag en bedachtzaam. Aan de Oostersingel wiegt het licht van de lantaarns over nat asfalt, alsof elke plas een oog is dat terugkijkt. Dan, een schok: sirenes snijden door de stilte, blauwe flitsen breken de randen van ramen en gedachten.

Er was een eenzijdig ongeval, een auto die een lantaarnpaal raakte. Uit de melding groeide een moment dat zwaarder woog dan metaal: een 46‑jarige man, de adem nog vol van adrenaline, zou agenten hebben bedreigd met een luchtdrukwapen. Het is een zin die in het journaal past, maar in de straat klinkt als een echo die nergens wil landen.

De nacht die vragen stelt

Wat brengt een mens tot de rand waar woorden verstijven en gebaren hard worden? Soms is het slechts een scheef moment in de tijd: een stuur dat trilt, een klap, de geur van koelvloeistof en aarde. Soms is het de vermoeienis van jaren, de onzichtbare last die pas bij maanlicht contouren krijgt. De lucht van december hangt laag; emoties buigen mee als takken onder rijp.

Agenten stappen uit, getraind om recht te staan in het scheef. Hun stemmen zijn protocollen, maar ook mensenharten, kloppend achter fluorescerend textiel. Een luchtdrukwapen is een object van lucht en mechaniek, en toch kan het genoeg zijn om alle zuurstof uit een scène te zuigen. In die seconden is elke keuze een kruispunt.

Een stad luistert mee

Langs gevels luisteren ramen mee. De stad is getuige, ook als ze zwijgt. Assen bewaart zulke nachten in haar stoepkieren: verhalen die niet vragen om oordeel, maar om stilte na het lawaai. De lantaarnpaal, geraakt en lichtjes scheef, brandt door alsof licht een vorm van volharding is.

Veiligheid is meer dan het einde van gevaar; het is het begin van verstaan. We vragen ons af wie we zijn wanneer het misgaat, wie we kunnen zijn ná de sirenes. Misschien is het antwoord klein: een hand die niet grijpt maar wijst, een blik die niet verhardt maar blijft.

Wat we meenemen

Als de zwaailichten doven en de straat weer ademhaalt, blijft een zachte vraag hangen tussen steen en water: hoe keren we naar huis met minder ruis in ons hoofd dan waarmee we vertrokken? Aan de Oostersingel ligt het antwoord niet in het verslag, maar in de manier waarop we elkaar aankijken wanneer de nacht ons even heeft getoond hoe breekbaar we allemaal bewegen. En ergens, achter de ramen, wordt het stil.